Henri Weenink : Inleiding (D. Przepiorka)
Terug

H. Weenink als eindspelcomponist

Door : D. Przepiorka

Bron : Tijdschrift N.S.B. februari 1932

Veelzijdigheid was de markantste eigenschap van Weenink op het gebied van het schaakspel. Niet echter die gewone oppervlakkige veelzijdigheid, die daarin bestaat, dat de aanleg zich in de breedte in plaats van in de diepte uitstrekt. Dilettanten munten vaak uit door ongewone bekwaamheden in verschillende richtingen en presteren desondanks – misschien juist wel daarom – nooit iets bijzonders. Bij Weenink zien wij echter veelzijdigheid in een hoogst zeldzame gedaante. Dat was de veelzijdigheid in de zin van de renaissance, een waardevolle eigenschap, welke slechts het werkelijk grote talent bezit, dat in staat is, zijn kunnen in alle richtingen te ontplooien.

Breedte en tevens diepte ! Weenink was een meester in meer dan een opzicht. Het streven naar hoogste volmaking nemen wij bij Weenink ook op het gebied der eindspelcompositie waar. Zijn eindspelen baarden dan ook allerwege opzien en dwongen bewondering af, zowel van de kenner als van de leek.

Een lid der jury (naar ik meen Dr. S. Tarrasch) vatte eens zijn oordeel over een door Weenink ingezonden studie samen in drie kernachtige woorden “verrassend, leerzaam en interessant”. Deze drie worden zouden het aangewezen motto vormen voor de verzamelde eindspelcomposities van Weenink.

Weenink hield van scherp omlijnde en tegelijkeertijd subtiele denkbeelden, die hij in de eenvoudigste stelling wist te kleden. In overeenstemming met zijn artistieke gevoelens vermeed hij mijn pijnlijke zorgvuldigheid elke vaagheid in de oplossing. Zo bijvoorbeeld trachtte hij steeds alle nevenvarianten uit te schakelen, die tot theoretisch zeer moeilijk te winnen posities konden leiden. De moeilijkheid van het eindspel moest uitsluitend in het vinden van het hoofdmotief bestaan. In geen geval mocht de studie dan nog de een of andere uitloper hebben, welke eerst door moeizame en systematische analyse tot een goed einde kon komen.

Weening heeft in totaal zo’n 30 studies gecomponeerd. Het zou ongetwijfeld de moeite waard zijn, deze te verzamelen en uit te geven, waarmee men de schaakwereld zeer aan zich zou verplichten.

In 1932 zou het Weenink herdenkingsboek verschijnen, met daarin opgenomen de studies van Weenink, verzorgd door Mr. A. Rueb.